Ik had een tijdje geleden een dorm gereserveerd, omdat Floris langs zou komen en ik niet tussen hem en Frederieke in wou liggen. Dat is immers voor niemand leuk. Dit keer werd het niet de übergezellige Stumble Inn, maar de sobere, en daarom rustige Stellenbosch Backpackers. Deze stond niet in de Lonely Planet, maar was wel te vinden in de ‘Alternative Route’. Later begreep ik pas waarom.
Toen ik wou inchecken, was de hele toko bevolkt met middelbare scholieren uit de Vrijstaat die op een cultuur-excursie waren. Omdat het tweekoppig personeel daar de handen vol aan had, was er van inchecken voorlopig geen sprake en was ik overgeleverd aan de alcoholisten aan de bar. Ze discussieerden zoals alleen alcoholisten dat kunnen: in an sich interessante frasen, die geen enkel verband met elkaar houden. (“Wie had dat boek geschreven over de beat-generation? Warhol? Of Kerouac? Of ging het daar juist over? Ja, Truman Capote, dat was hem! Nee dat was hem niet, die was van die film.”) Dave zelf was overigens chemicus, maar ergens in zijn carrière was er iets gebeurd dat zijn scheikundige interesses beperkte tot de stoffen in zijn glas.
Ik zit nu met een espresso op het grasveld en tol van de slaap, omdat ik mijn dorm deelde met een wel heel buitengewoon figuur, wiens krukken, klepperende kunstgebit en pruttelende waterkoker me in de nacht wakker hielden. Hij leek in alles op Gandhi, van kaal hoofd, tot brilletje, postuur en lendedoek. Ik schatte hem zo’n honderveertig jaar. Zijn gebit zat los, hij had last van zijn ogen en er was zichtbaar iets mis met zijn onvolgroeide spillepootjes. Hij vertelde me van zijn leven in Nieuw-Zeeland, Europa en Zuid-Afrika. Hij had op boten gewerkt, Vladimir Poetin ontmoet op het Damrak en was bijna door de minister van Buitenlandse Zaken Zuid-Afrika uitgezet, omdat iemand anders in zijn naam kritische brieven had geschreven over het regime naar Londen. Hij had geen huis, verbleef een beetje van de ene in de andere dorm en had geloof ik niet veel in Stellenbosch te zoeken. Misschien ging ie de regering vragen voor een studiebeurs. Ik zei dat hij dat maar moest doen.
Ik liet hem ‘s avonds voor wat het was. Naar de universiteit durfde ik niet in het donker, bang gemaakt door alle verhalen en verschrikkelijke foto’s van moord en doodslag in de tabloids die Frederieke iedere dag zo trouw onderzoekt. In de bioscoop draaide niets en bovendien maakte een veiligheidsbeambte me subtiel duidelijk dat het volslagen idioot (of treurig) was om zonder date naar de film te gaan. Toen zat het vrouw-alleen-in-restaurant-complex er zo stevig in, dat ik afzag van verder cafébezoek en terugliep naar mijn alternatieve slaapgelegenheid.
Mahatma was nog wakker. Ik ontvluchtte hem en zijn kunstgebit voor de tweede keer en kwam toen Kate op de gang tegen, een Zwitsers meisje van het type je mag haar vanaf het eerste ogenblik. Toen we biertjes bestelden bij tokobaas Chris (‘the big bearded chap from Greece’) en de pubers en alcoholisten wegdachten (“Holmes, het was Holmes!”) leek het ineens best veel op een ordinair hostel.