Vroeger hoorde je alleen het Jeugdjournaal en GroenLinks over het milieu. Nu is het een hysterische hype, en natuurlijk omarm ik die. Wat ik alleen niet begrijp is dat je in al die klimaatrapporten, semi-documentaires en talloze pamfletten bar weinig tegenkomt (toegegeven: ik heb niet heel grondig gezocht) over overmatig en onnodig gebruik van airco’s.
In het kader van uitstervende zeeschildpadden, slinkende koraalriffen en extremer wordende cyclonen, volgt hier mijn persoonlijke aversie tegen het aircobeleid op Stellenbosch University:
Ik breng hier nogal wat uren door in de bieb. Daar hoor je mij normaal gesproken niet over klagen. Biebs zijn goed. De boeken ruiken lekker en het is de enige plek waar studenten hun bek houden. Maar. Terwijl buiten het zonnetje brandt, wordt in de Stellenbosche bieb de airco flink opgestookt (afgestookt?). En dat belet mij hier langer dan twee uur aaneengesloten door te brengen. Ik heb een chronische loopneus en die kan ik maar aan één ding wijten.
Niets vermoedend liep ik de eerste dag nog in rokje en hempje de bieb binnen, teenslippers aan mijn blote voeten. Inmiddels weet ik beter, en kleed ik me er op aan. Heus, ik houd daar ‘s ochtends rekening mee. Terwijl ik helemaal niet zo ben van het-rekening-houden-met ’s ochtends.
Het is me een raadsel waarom dit soort landen zo geilen op airco. Het is immers een uiterst ongemakkelijk statussymbool. Ik heb in India onder wollen dekens geslapen toen het veertig graden buiten was, omdat het nou eenmaal een eerste klas treinticket was. Mensen rijden daar ook in de hitte met gesloten ramen in hun auto, omdat het dan LIJKT alsof ze airco hebben. Elk zichzelfrespecterend bedrijf, ook in landen waar het doorgaans dertig graden is, hijst zijn medewerkers het liefst in driedelig pak en dit alles in het kader van: hoe hoger de airco, des te groter de piemel.
En daarom pleit ik (hoewel ik dit soort christen-democratisch jargon liever mijd) voor een mentaliteitsverandering. Want begrijp me niet verkeerd, ik heb niets tegen milieuvervuiling, maar dan moet ‘ie wel nuttig zijn en mij niet tot last.