Ik was nog maar net van de schrik bekomen dat vierduizend onooglijke goths mijn stad terroriseerden ontsierden of de volgende schreeuwerige subcultuur diende zich aan: sjaars.
Het is UIT in Utrecht. Dat is jargon voor Utrechtse Introductie Tijd. Vijf dagen lang bezetten massa’s eerstejaars terrassen, kroegen en verenigingen. Ze zijn herkenbaar aan blauwe rugzakjes, overschreeuwen hun nog onontwikkelde stemmetjes en beginnen vol enthousiasme aan een Nieuw Avontuur in een Nieuwe Stad.
Nu ga ik niet doen alsof vroeger alles beter was, want toen ik nog niet zo heel lang geleden de UIT liep, had ik ook al een stevige hekel aan die introductieperiode.
Er zijn twee soorten sjaars: zij die het overdreven naar hun zin hebben en zij die denken: moet ik dit leuk vinden? Het moge duidelijk zijn dat ik tot dat laatste kamp behoorde. Ik had dan ook een heel stom groepje met nog stommere mentoren. Een stelletje dat samenwoonde in een huis dat hun oom had geregeld (hoe niet cool op je negentiende en waarom sla ik deze informatie op?), plus een vriendin van haar die ook Rechten deed en te veel tijd onder de zonnebank doorbracht.
En alle meisjes droegen driekwartbroeken, pumagympies en van die korte enkelsokjes. En ook alle jongens droegen driekwartbroeken, pumagympies en van die korte enkelsokjes.
Desondanks probeerde ik me aan te passen. Dat doe je op zo’n moment. Dapper zong ik mee met de Leuk Dat Je Der Bent Band:
“Ik ga voor Utrecht mijn statsie Utrecht
Midden in het land en midden in mijn leven
Wij zijn de helden, de Stichtse helden
Introductietijd, geheid geen spijt
omdat het UIT is. UIT is!”
en:
“Lachen, zingen tot je SCHOR bent
Vrije seks totdat je alle sjaarsen kent
Drinken, zuipen tot je struikelt naar de PLEE
Ja dat is U – I – T!”
De hele week deed ik mee, terwijl ik mijn vriendje in Voerendaal miste, er een raar kind op mijn kamer van zes vierkante meter (met schuin dak, 375 gulden) sliep en ik de hele stad met zijn hele universiteit en hele hollandse kutmongolen met de grond gelijk wilde maken.
En nu zie ik ze ook weer. De verloren figuren die naast de rest van het groepje lopen en toch mee proberen te doen. Doorgaan. De godganse week. Terwijl je ze ziet denken: Moet ik dit leuk vinden?
“Nee”, fluister ik ze zachtjes toe als ik langs loop, “je hoeft dit niet leuk te vinden. Echt niet.”